Ik ben er weer…

Web-log.nl is Weblog.nl geworden en dat heeft nogal wat voeten in de aarde gehad. Ik hoop dat ik de boel weer een beetje op orde krijg. De categorieën vind je nu onderaan deze openingspagina. Verder is het nog een grote puinhoop.

Wordt vervolgd zal ik maar zeggen.

Groet,

Wim

Uitgevers jagen op kopiisten

Het arrest van het gerechtshof in Leeuwarden, waarin de zogeheten persexceptie aan banden wordt gelegd, zorgt voor vreugde bij uitgevers. Ze gaan volgens een aantal kranten verhaal halen bij eigenaren van websites die zonder toestemming of vergoeding artikelen van kranten en tijdschriften overnemen.

Zo laat het dagblad De Gelderlander (Wegener) honderden domeinen, die in het verleden krantenkopij hebben gebruikt, opnieuw toetsen. Volgens directeur Bart Bouter van Auxen – dat namens Nederlands Dagblad, Trouw, Volkskrant en andere kranten speurt naar kopijpiraten op het internet – biedt het arrest veel handvatten om overtreders aan te pakken. “Het gaat om een paar honderd sites. Als daar contracten uit voortvloeien kunnen we voor onze opdrachtgevers veel geld verdienen”, aldus Bouter.

Alleen korte, feitelijke berichten mogen nog zonder toestemming worden overgenomen. Voor berichten waar door journalisten eigen informatie aan is toegevoegd, geldt dit niet langer. Hoeveel geld de uitgeverijen kunnen verhalen op de kopiisten is niet duidelijk.

(Overigens is dit bericht gedeeltelijk overgenomen van een aantal sites dat de Leeuwarder Courant heeft gekopieerd)

Bron: Leeuwarder Courant e.a.

Inkomsten uit advertenties baart dagbladuitgevers grote zorgen

De omzet van de Nederlandse dagbladsector is in 2010 met drie procent gedaald, na een daling van tien procent in het crisisjaar 2009. De pijn wordt geleden aan de advertentiekant. De advertentie-inkomsten van de 28 dagbladuitgeverijen daalden tussen 2009 en 2010 opnieuw, nu van 563 naar 511 miljoen euro (-9,2%). In 2001 bedroegen de inkomsten met 1.049 miljoen nog meer dan het dubbele.

Het is allemaal te lezen in het onlangs verschenen jaarverslag van NDP Nieuwsmedia, de brancheorganisatie voor nieuwsbedrijven. Ooit was er een tijd dat in de dagbladwereld het advertentiegeld tegen de plinten opklotste. Maar toen versnelde zich de digitalisering en kregen adverteerders de platforms voor het uitkiezen. In 2010 daalde het advertentievolume (in millimeters) bij de betaalde dagbladen met 6,6%, terwijl de advertentieomzet met 9,2% daalde. Deze 9,2% wordt in het NDP-jaarverslag mogelijk bewust niet genoemd. Afgezet tegen 6,6% volumedaling maakt het zichtbaar dat de prijzen voor dagbladadvertenties aan serieuze erosie onderhevig zijn.

Een slagveld vormen de markten voor personeels- en rubrieksadvertenties. Bij personeelsadvertenties bedroeg de volumedaling van 2009 ten opzichte van 2008 44%, en in 2010 ging er nog eens 32% af. Bij rubrieksadvertenties bedroegen de respectievelijke percentages 24 en 14. Er zijn echter ook producten en diensten waarvan het advertentievolume in 2010 groeide, waarschijnlijk onder invloed van een voorzichtig economisch herstel. Het advertentievolume van de vroegcyclische ‘Fabrikanten en importeurs' groeide met 9,3%, terwijl het eveneens conjunctuurgevoelige ‘Toerisme' 7,9% meer advertentiemillimeters afnam.

Opmerkelijk zijn de grote verschillen tussen landelijke en regionale betaalde dagbladen wat het advertentievolume betreft in 2010 ten opzichte van 2009. Het totale advertentievolume daalde zoals gezegd met 6,6%. De landelijke dagbladen verloren echter 18%, terwijl de regionale dagbladen 3% verloren. Dan maar weer wat positief nieuws: de inkomsten uit abonnementen en losse verkoop stegen van 951 naar 959 miljoen, 0,8%. Dit is echter toe te schrijven aan prijsverhogingen, want de totale verspreide oplage van de betaalde dagbladen is in 2010 versus 2009 met ruim 2% gedaald. Dit terwijl het aantal huishoudens met 0,8% groeide, naar ruim 7,2 miljoen. De totale verspreide oplage kwam uit op ruim 3.455.000. Dit betekent dat er in Nederland per 100 huishoudens 48 betaalde dagbladen worden verspreid. Een vijfde deel geeft de krant dagelijks door, vooral aan de buren. Inclusief doorgegeven exemplaren komt de totale verspreide oplage uit op 4.222.000: een dekking van 58 exemplaren op 100 huishoudens.

Hoe je het ook wendt of keert: dagbladen bereiken nog altijd de massa. Daar komt bij dat ze veel langer worden gelezen dan digitale nieuwsmedia, gemiddeld 31 minuten per doordeweekse dag, in het weekend nog meer. Overigens daalde bij de gratis dagbladen de totale verspreide oplage in 2010 van 1.226.000 naar 1.099.000 exemplaren.

Uit het jaarverslag van NDP Nieuwsmedia blijkt ten slotte dat de gedrukte krant en de website elkaar niet kannibaliseren, maar juist aanvullen en versterken.

Bron: Mediafacts

Waxinelichthouder

Zelf rook ik al heel lang niet meer. De laatste keer dat mij werd gevraagd of ik rookte was na een wilde vrijpartij, maar dat is járen geleden. De vraag of ik rookte, bedoel ik. “Niet dat ik weet”, was mijn bête antwoord en ik zag, eerlijk is eerlijk, ook nergens rook uitkomen. Wel stoom, maar dat is wat anders…

Dus voor mij is de onderstaande hartenkreet van de Kantinecommissie van ATV De Hertenkamp niet bedoeld. Op de site van de club lees ik namelijk: ´Afgelopen donderdagochtend lagen er peuken op de grond in de kantine, as op de bar en tussen het glaswerk en was er een waxinehouder gevuld met as en peuken. Niet echt een leuke binnenkomer als er ook nog door leden en gasten competitie gespeeld moet worden. Het bordje ‘niet roken’ hangt er niet voor niets!´ En zo is het maar net. Dat kán zo natuurlijk niet. Toch waren het niet de peuken en de as die mij opvielen in dit stukje op de verenigingssite. Zeker, ik zie op de bijgeplaatste foto viezigheid op de vloer en hoewel die foto niet verifieerbaar is – ik bedoel net zoals de beelden van de Arabische Lente gemanipuleerd kúnnen zijn, kan de foto wel genomen bij iemand thuis en ook de datum is uiteraard niet te achterhalen – ga ik er voor het gemak en op basis van vertrouwen maar even van uit dat het kiekje recentelijk is genomen en dat de vloer in kwestie ook daadwerkelijk de vloer van onze kantine is.

Ik onderschrijf ook de opvatting van de Kantinecommissie dat dit ´geen leuke binnenkomer´ is, maar – en ik ben toch niet de enige die dat is opgevallen – wat doet deze tennisvereniging met waxinelichthouders? Is Erwin L. uit Winterswijk misschien lid van de vereniging geworden? Zijn er soms subversieve elementen actief? Wie weet wat hier aan de hand is?

Dit moet tot op de bodem worden uitgezocht. Voor je het weet heeft de vereniging het etiket ´van terrorisme verdachte club´ opgeplakt.

Ongelogen waar

Eigendunk Iedereen heeft ’t er wel eens over: over die tenniswedstrijden die schijnbaar verloren lijken, maar toch op een miraculeuze wijze kantelen. Sterke verhalen, broodjes aap, visserslatijn meestal.

Meestal, maar niet altijd.

Ik heb het niet graag over mezelf – ik heet tenslotte geen Sylvia Witteman – maar voor deze ene keer maak ik een uitzondering, al was het maar om de jonge lezertjes van dit blog een hart onder de riem te kunnen steken.

Zaterdag 14 april speelden we – Hertenkamp, Gemengd 2, 35+ (3de klasse) – in Regiocompetitie Noordoost tegen Hoogkerk. Ik speelde mijn enkel tegen Jeroen. De eerste set won ik vrij eenvoudig met 2-6. De tweede set ging verloren met 6-0. Zo gaat dat nu eenmaal vrij vaak.

Toen kwam de derde set. Ik stond met 0-5 en 15-40 achter. En verdomd, ik werkte de wedstrijdpunten weg, verloor geen enkele game meer en won de laatste set dus met 5-7 en de wedstrijd met 1-2.

Even, nou ja even…, de rest van de zaterdag en een groot deel van de zondag liep ik naast mijn schoenen. En toen won Ajax met 3-1 van Twente, werden de Amsterdammers landskampioen en stond ik weer met beide benen op de grond. Shit…

 

JDM Abaca

Het ging niet zo goed met Koens vader. Lichamelijk had Peter al langer klachten, maar nu gingen ook zijn geestelijke vermogens bijna met de week achteruit. Hij begon namen te vergeten en ook de verjaardagen van zijn kinderen en kleinkinderen kon hij zich steeds vaker niet meer herinneren. Hij vergat waar hij zijn sleutels had neergelegd en zijn portemonnee was hij wel drie, vier keer per dag kwijt. Onlangs nog had hij een ketel op het gas laten staan. Het water was volledig verdampt en de flat in een buitenwijk van ‘s-Hertogenbosch, waar Koens ouders al meer dan dertig jaar woonden, stonk een uur in de wind. Godzijdank kwam Koens oudste broer Peter-Jan op dat moment langs.

 

Ook autorijden ging hem steeds slechter af. “Het wordt steeds voller op de wegen. Rijden in het donker doe ik al helemaal niet meer”, zei hij tegen Koen. Ze stonden in de lentezon bij zijn auto, die op het grote parkeerterrein voor de flat geparkeerd stond. De eens zo prachtig glimmende Ford Ka zag er, hoewel er slechts 7.000 kilometer op de teller stond, oud en afgeleefd uit. De vijf jaar oude auto was groen uitgeslagen. De rotzooi van de lindebomen lag als een smerige drab op het dak, de kofferbak en de motorkap.

“Kijk”, en hij wees op een deuk in de bumper van zijn autootje, “ik wilde je die deuk even laten zien. Ik weet niet hoe die daar is gekomen. Waarschijnlijk is er iemand tegen de auto aangereden.”

“En die kras dan en die deuk daar in het portier? Hoe kom je daar dan aan?”

Peter haalde zijn schouder op. “Ik zou het niet weten…”

“Wordt het niet eens tijd, vader”, Koen probeerde zo voorzichtig mogelijk te formuleren, “om je auto weg te doen. Je rijdt er bijna nooit meer in; je zegt zelf dat je autorijden eigenlijk niet meer aandurft en dat ding staat hier maar…”

“Ja en dan? Hoe moeten je moeder en ik dan naar de stad?”

“Je gáát nooit meer naar de stad. Je zegt zelf dat je de drukte van al die mensen niet meer aankunt, dat je parkeren in het centrum veel te duur vindt en Peter-Jan koopt kleren voor jou en moeder.”

“We doen toch de boodschappen bij de supermarkt. Nou, dan heb ik heus wel een auto nodig hoor, mister wiseguy…” De buurtsuper was tweehonderd meter verderop.

 

Koen zuchtte. “Zou een brommobiel niks voor jou zijn?”

“Een wat?”

“Nou, zo’n 45-kilometer autootje.”

“Ja houdoe, zie je mij rijden in zo’n ouwe lullen ding. Ik ga nog liever dood.”

Koen probeerde het nog een keer: “Die autootjes zijn vreselijk handig, hoor. Je kunt boodschappen blijven doen. Dat wil je toch zo graag. Het is een stuk veiliger dan een gewone auto. Je kunt niet zo hard, dus… De snelweg ga je toch niet meer op en in de stad kun je met zo’n karretje gratis parkeren. Ik neem de Ka wel van je over. Denk er nou nog eens over na.”

“Daar hoef ik niet over na te denken. Ik zie mezelf al rijden is zo’n invalide-karretje. Geen haar op mijn hoofd die daar aan denkt.” Dat zijn er al niet zo veel meer, dacht Koen, maar hij hield wijselijk zijn mond.

 

Veertien dagen later telefoneerde Peter met Koen: “Jongen, ik ben tegen een betonnen paaltje gereden. Je moeder schrok zich dood en ze zei dat ze niet meer in de auto wil stappen…” Koen zei niets.

“Ben je daar nog?”

“Ja, maar wat moet ik zeggen dan?”

“Nou, misschien is zo’n bromding dan toch wel iets voor mij?”

“Ja vader, ik denk dat een bromding echt is voor jou is. Zal ik een afspraak maken bij Brommobiel Centrum Henk van Veen, in Vught?”

“Ja, doe dat maar.” Er lag berusting in Peters woorden verscholen. Niet voor de eerste keer moest hij schoorvoetend toegeven dat hij steeds minder zelfstandig kon. Hij kon niet anders dan toegeven dat hij oud, écht oud was.

 

“Dus meneer uw vader zoekt een gebruikte brommobiel. Nou, dan bent u hier aan het juiste adres. Wij hebben meer dan honderd tweedehands modelletjes staan, waar uw vader zijn vingers bij af kan likken.’’ De verkoper wreef zich in zijn handen, zoals alleen autoverkopers dat kunnen.

“Is hij nog een beetje goed ter been, heeft hij een rijbewijs, hoe oud is uw vader als ik vragen mag?’’ Voor Koen er een woord tussen kon krijgen ging de verkoper verder: “Hoeveel denkt uw vader uit te willen geven? En wat…?.

“Hij loopt dáár hoor”, zei Koen en wees naar zijn vader die met zijn handen op zijn rug door de showroom schuifelde. Aan zijn gebogen, vijandige houding was te zien dat hij hier tegen zijn zin was.

“Wat zoekt u precies?”, vroeg de dealer aan Koens vader.

“Een brommobiel, zegt mijn zoon.”

“Ja, dat begrijp ik, maar welk merk? Wij verkopen nogal wat verschillende soorten. Zoekt u een Microcar, een Aixam, een Chatenet of heeft u liever een Ligier of een JDM?” Hulpeloos zocht Peter de ogen van zijn jongste zoon. Die kwam zijn vader redden.

“Dat doet er niet zo veel toe. Als vader maar goed kan in- en uitstappen en er gemakkelijk mee zijn boodschappen bij de supermarkt kan doen.”

“Dan is deze wellicht iets voor u.”

Ze liepen naar een groen karretje dat er inderdaad vrij blits uitzag.

“Dit is een JDM Abaca. Groen metallic, een twee cilinder Yanmar diesel, lichtmetalen velgen, parkeerhulp sensoren…”

“Wat zijn dat?”

“Die helpen u bij het inparkeren, meneer Willems. Hij gaat piepen als u te dicht bij, zeg bijvoorbeeld een paaltje komt…”

“Die neem ik.”

“Maar vader, kijk nou eerst nog even verder rond. Er staan hier nog veel meer modellen.”

“Nee, deze wordt ‘t. Ik vind die groene kleur ook wel mooi.” Peter had zijn besluit genomen. Niets kon hem daar meer vanaf brengen.

“Een hele goeie keus, meneer. Deze JDM is van de eerste eigenaar, hij is nog geen drie jaar oud en heeft krap aan 14.000 kilometer op de teller staan. En dit type JDM heeft – heeft u dat gezien? – lederen bekleding. En dat allemaal voor slechts 8.950 euro. Een hele goeie keus…”

“Hoeveel?” Koen kon zijn verbazing over zo’n hoge prijs niet verbergen.

“8.950 euro. Maar vergeet niet meneer dat deze autootjes hun waarde altijd blijven houden. De vraag is groot en het aanbod is relatief klein. Ze worden nooit afgereden…” Nee, dacht Koen, de eigenaren zijn dan allang dood.

“Maar 9.000 euro. Dat is nogal wat.”

“8.950 euro en dan hebben we het nog niet over het warmtewerend glas gehad…”

“Kan mijn vader hier goed in rijden?”

“Ach meneer, iedereen kan in een brommobiel zo inrijden. Geen versnellingsbak, begrijpt u. Een kind doet de was. Uw vader heeft ook geen rijbewijs nodig. Dat wil zeggen”, en hij wendde zich weer tot Koens vader, “uw A-rijbewijs kan zo worden omgezet in een AM-rijbewijs. Een medische keuring is niet eens nodig. Ik zie hier zo veel mannen van uw leeftijd die dolgelukkig zijn met hun brommobiel. En de JDM, ja dat is echt wel top of the bill.”

“Ik geef u 8.000 euro.” Koen was geen held in onderhandelen, maar niet geschoten was altijd mis, dus hij probeerde maar eens wat.

“8.950 euro. Ik verzeker u dat deze JDM elke euro waard is.”

Peter draaide zich naar Koen en zei op gemelijke toon: “Zit nou niet te zeuren om die paar centen. We nemen dat ding. Het is mijn geld. Jij hoeft er niet in te rijden. Hou op, man!”

 

Een week later werd de brommobiel bij Koens vader afgeleverd. Koen was toevallig op dat moment bij zijn ouders.

“Laten we meteen maar een ritje maken, hè vader?”

“Ja leuk. Let maar eens op, jongen, ik scheur er zo mee weg. Ik rijd al sinds 1957 auto, dus zo’n brommer op vier wielen kan ik er ook nog wel bij hebben. Ik heb ook nog scooter gereden, wist je dat? Een Goggo.”

 

Nou, dat ‘wegscheuren’ viel dus tegen. Koens vader reed als een bezetene door de buitenwijken van de stad. Hij keek op noch om, negeerde stoplichten en drukte keer op keer het gaspedaal en de rem gelijktijdig in. Het autootje stuiterde dan vervaarlijk door de straat.

“Ik moet nog even wennen, jongen. Alles is veel kleiner dan in een echte auto. Maar wat rijdt-ie lekker hè. Het motortje maakt wel veel lawaai. Maar och, ik hoor de laatste tijd wat minder, dus daar heb ik niet zo veel last van…”

Drie proefritten, vier bijna-ongelukken en één bon – wegens rijden op het trottoir – later was de stemming helemaal omgeslagen.

“Ik geloof dat ik het niet meer kan. Autorijden, bedoel ik.”

“Nee, ik geloof het ook niet vader.”

 

“Bevalt de JDM niet?”

“Jawel of nee, eigenlijk niet. U zei ons dat mijn vader er zo in weg zou kunnen rijden. Ik kan u verzekeren, het lukte hem niet. Hij kan er niet mee overweg.”

“Dat is de eerste keer dat ik zoiets hoor. Ik heb nog nooit klachten gehad. Merkwaardig, heel merkwaardig.”

“Hoe het ook zij, ik wil ‘m weer inruilen.”

De brommobielhandelaar begon bedenkelijk te kijken. Hij wreef eens aan zijn neus en over zijn kin en antwoordde uiteindelijk:

“Ik kan u er 6.950 euro voor geven.”

“Wat?! Een paar weken geleden heeft mijn vader er bijna 9.000 euro voor betaald…”

“8.950 euro…”

“…en u verzekerde ons dat dit soort voertuigen” – als Koen boos werd ging hij steeds formeler praten – “hun waarde altijd behielden. Er is niets mee gebeurd. Mijn vader heeft er hooguit twintig kilometer mee gereden en er zitten heus geen kassen op, hoor.”

“Ja, nee dat geloof ik ook wel. U ziet er uit als een betrouwbaar iemand, maar er is net een nieuw model op de markt en dan gaat het snel hoor. Gelooft u mij, ik heb het zelf niet in de hand. Het is de markt die de prijs bepaalt. Ik zou een dief van mijn eigen portemonnee zijn als ik u meer dan 6.950 euro zou geven. En dan ben ik nog schappelijk.”

“Schappelijk, schappelijk? U bent geen dief van uw eigen portemonnee, u bent een dief, punt!”

Koen beende de zaak uit, stapte in zijn vaders brommobiel en vervloekte Henk van Veen, alle brommobiel- en andere autohandelaren en meteen ook maar alle misselijkmakende middenstanders. “Tuig is het, rapalje, schorem.”

 

Nog diezelfde week heeft Koen de JDM te koop aangeboden op Tweedehands.net, Marktplaats.nl, Ebay.nl, Aanbod.nl en zelfs op de Friese site Merkeplaets.nl, maar op geen van deze sites werd meer dan 5.500 euro geboden. Hij heeft kaartjes opgehangen bij een aantal supermarkten en hij heeft bij Jan en alleman met het autootje lopen zeulen. Het wilde maar niet lukken. Het geld dat zijn vader voor de brommobiel had betaald kreeg hij in de verste verte niet terug.

Uiteindelijk heeft hij een advertentie in de regionale en drie lokale kranten gezet. Op die annonce kwam een vrouw af van zijn leeftijd. Ze was nog mooi om te zien – “Leuk opgedroogd” zou Koens vader zeggen – al keek ze wat zorgelijk.

“Hij is voor mijn vader. Het gaat niet zo goed met hem. Hij heeft al langer lichamelijke klachten, maar de laatste maanden gaan ook zijn geestelijke vermogens achteruit. Hij begint namen te vergeten en ook de verjaardagen…”

“Ja, ja, het is goed. Wat geeft u ervoor?” Na de ellendige weken die hij achter de rug had, kon Koen zelfs de meest elementaire fatsoensregels niet meer opbrengen. Het speet hem voor zijn bezoekster.

“4.950 euro”

“Deal, neemt in godsnaam mee dat ding.”

 

© Wim Kunst, mei 2011

 

 

 

Strijken

Hoe laat zal het die zaterdag zijn geweest? Acht uur, kwart over acht. De voorjaarscompetitie was in volle gang en het was al aardig druk op het park. De zon scheen volop. Er hing zo’n gespannen, vrolijke en wat afwachtende sfeer bij de ploegen die binnen kwamen druppelen, bij de wedstrijdleiding en de vrijwilligers die al druk in de weer waren met koffie, thee en met voorbereidingen voor – laat ik  ’t maar de lunch noemen.

Uit de kantine daalde een van de vrijwilligers de trap af. Zijn naam zal voor altijd een mysterie blijven. In zijn hand had hij een strijkijzer. Een prachtig, modern stoomstrijkijzer van Philips. Ik kwam juist aanlopen en vroeg hem: “Wat ga jij nou doen?” “Ik moet de vlag strijken’’, zei hij. “Strijken?”, antwoordde ik verbaasd, “hijsen zul je bedoelen…”

 â€œIk vond het al zo’n rare vraag”, mompelde hij en liep met gebogen hoofd de trap weer op.

Strijdkrachten krimpen in om de verkeerde redenen

De Nederlandse strijdkrachten gaan fors inkrimpen. Manschappen verdwijnen, tanks worden verkocht, helikopters afgeschaft en een aantal oorlogsbodems wordt ook al in de uitverkoop gedaan. Een goede zaak: hoe minder oorlogstuig, hoe beter. Oorlog heeft nog nooit iets opgelost en hoe meer wapens, hoe vaker en gemakkelijker ze zullen worden gebruikt. Dat is de ijzeren wet van polemoloog Bert Röling, mijn leermeester.

En toch sta ik niet te juichen. De reden is namelijk de verkeerde. Premier Rutte en zijn ploeg bezuinigen op de krijgsmacht, omdat de kosten niet meer te dragen zijn. Dat is dus een economische reden. Als de gevolgen van de crisis zijn vervlogen, zal weer materiaal aangeschaft kunnen worden en kunnen manschappen opnieuw worden gerekruteerd. Dan kan Nederland weer zijn toontje meeblazen.

Wat nog erger is, en in het verlengde ligt van de inkrimping, is dat de regering van VVD, CDA, met gedoogsteun van de PVV, een ander buitenlands beleid wil voeren: minder met ´het opgeheven vingertje´. De diplomatie (waarop volgens Von Clausewitz naadloos het voeren van oorlog kan volgen) dient eerder geleid te worden door economische, dan door humanitaire uitgangspunten. Méér koopman en minder dominee. Dat betekent dat Nederland met regimes, die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten, gewoon handel kan drijven en zeker geen oorlog tegen ze zal voeren, al dan niet onder de vlag van Verenigde Naties of NAVO. Te duur en het gaat ten koste van het bedrijfsleven. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.

Aan de maatregelen van de regering liggen dus geen pacifistische of andere ideële motieven ten grondslag, maar uitsluitend zakelijke belangen. En dat terwijl toch overduidelijk is, in mijn optiek, dat internationale stabiliteit alleen maar gegarandeerd kan worden als er mondiale afspraken worden gemaakt onder leding van de VN en uiteraard met sanctiemogelijkheden. Dwangmaatregelen hoeven echter niet afgedwongen te worden door het geweer. Er zijn mogelijkheden genoeg om – bijvoorbeeld – dictators op andere gedachten te brengen of onderdrukte volkeren te steunen.

 

Revitalisering

Ik heb onlangs een nieuw woord geleerd: revitalisering. Dat is nog eens een mooi woord, niet? Ik moest het natuurlijk opzoeken in het woordenboek en de betekenis viel me wat tegen. Opknapbeurt is wel een magere uitleg voor een woord dat zo lekker over je tong rolt. Ons park wordt ook gerevitaliseerd, vandaar.

Voor een luttele vier miljoen euro krijgen we een zonnedek, een brug, een pergola, hangende bloembakken (die worden in het plan hanging baskets genoemd; deze term voor een mandje met bloemen vind ik minstens zo mooi als revitaliseren) én betere parkeerplaatsen. In eerste instantie dacht ik: meteen aanpakken die Rode Loper (plus Abs Groene Loper, wat kan mijn ´t schelen). Niet gedraald, voortvarend aan de slag.

Een paar glazen rode wijn verder bekroop mij enige twijfel. Voor vier miljoen euro valt er toch wel wat meer op te knappen, zeker als we er met z´n allen de schouders onder zetten. Dus stel ik hier een alternatief plan voor:

• De entree bestraten we met Italiaans marmer;

• Onder de banen realiseren we een parkeergarage voor zo´n tweehonderd auto´s;

• Het clubhuis bouwen we een beetje uit, naar het voorbeeld van ´Klein Soestdijk´, Veenhuizen, uiteraard met een windmolentje erbij;

• Van de gravenbanen (wie wil daar nou nog op spelen…) maken we een kartbaan;

• De voorgestelde brug vervangen we door een loopband;

• Het zonnedek wordt zwembad (watertemperatuur altijd 30°);

• De hanging baskets uit het oude plan blijven uiteraard gehandhaafd, want wat goed is, is goed.

 

Situatie gewijzigd

Situatie gewijzigd Heeft u dat ook? Ik rijd in een vreemde stad en daar staat het bord ´Situatie gewijzigd`. Het eerste dat ik denk is: wat heb ik aan zo´n bord? Ik heb geen idee hoe de situatie voorheen was… En dan denk ik: hoe wás de situatie hier dan?

Allemaal vragen en onzekerheden die er voor zorgen dat de kans dat ik een ongeluk veroorzaak alleen maar groter wordt. Weg met dat bord. De ´situatie´ moet voor iedereen in één oogopslag klip en klaar zijn. Daar dienen andere borden, haaientanden, slagbomen, doorgetrokken strepen, 30-kilometerborden – of wat dan ook – voor…